Visie en durf basis voor sociale innovatie
Inhoudsopgave
- Risicomanagement niet alleen defensief
- Sociale innovatie en het nieuwe denken
- Hoe werkt dit denken op organisatie niveau?
- Scheiding werk en privé fabeltje
- Thuiswerken zou de norm moeten zijn
1. Risicomanagement niet alleen defensief
Nieuwe regelgeving verplicht ondernemingen een betere invulling te geven aan risico management of risk management. De nadruk ligt daarbij meestal op het inzichtelijk maken van financiële risico’s. Het begrip risico heeft vooral een negatieve lading en vaak concentreert men zich bij risicobeheersing op de vraag wat er zoal fout kan gaan. En uiteraard klopt het dat aandeelhouders niet met negatieve verrassingen geconfronteerd willen worden. Er wordt echter wel eens vergeten dat een goede risicobeheersing ook tot waardecreatie moet leiden. Het gaat niet alleen om financiële risico’s op korte termijn, maar vooral ook om continuïteitsrisico’s op langere termijn. De relatie tussen rendement en risico vormt één van de grootste uitdagingen voor waardecreatie. Als ondernemingen economische waarde voor de aandeelhouders en andere belanghebbenden willen blijven creëren, dan moeten rendementoptimalisatie en risicobeheersing hand in hand gaan. Nu is het zo dat in Nederland aandeelhouders onrustig worden als de financiële cijfers niet goed zijn, maar in Finland gebeurt dat als er onvoldoende innovaties worden geïnitieerd.
Het komende decennium zullen bedrijven vooral:
- meer toegevoegde waarde moeten leveren om de concurrentie met opkomende economieën te kunnen volhouden;
- het vermogen moeten hebben om goede managers en medewerkers aan te trekken en te binden, als oplossing voor de vergrijzing;
- moeten inspelen op de virtualisatie op allerlei gebied, waarbij tijd, afstand en dragers steeds minder belangrijk worden.
Daarbij zullen veel aannames die vaak al tientallen jaren zijn gedaan, niet meer juist blijken te zijn. Zo zal geld in hoog tempo weer gewoon een ruilmiddel worden en zal waardecreatie steeds belangrijker worden. (Zie ook ‘Waardecreatie belangrijker dan geld en macht’.) Naast technologische innovatie, zal sociale innovatie belangrijk zijn. We zijn tenslotte een diensteneconomie met mensen als belangrijkste asset, waarbij het draait om toegevoegde waarde.
Dit alles vereist acceptatie van nieuwe waarden en normen. En risico management zou zich moeten richten op de vraag welke ‘waarheden’ zullen veranderen en welke nieuwe normen en waarden nodig zijn om deze nieuwe waarheden te kunnen omarmen. Nu wordt risico management nog te vaak verward met risicomijdend gedrag. De kern van ondernemen is echter verantwoord risico nemen. In feite horen ‘ondernemen’ en ‘risico management’ synoniem te zijn.
2. Sociale innovatie en het nieuwe denken
Uiteraard is het moeilijk te voorzien hoe de wereld zich in de komende 10 jaar gaat ontwikkelen. Om echter een illustratie te geven van het geïntegreerde en niet normatieve denken dat nodig is voor sociale innovatie, wil ik graag de visie weergeven van Hans de Backer, oud-voorzitter JOVD (Jonge Liberalen), Adjiedj Bakas, trendwatcher en auteur van Megatrends Nederland, Marco Bevolo, trendanalist & visiting professor aan de universiteit van Turijn en Lans Bovenberg, hoogleraar economie aan de Universiteit van Tilburg en directeur van Netspar, denktank over vergrijzing. En dan gaat het niet om de afzonderlijke, voorgestelde maatregelen, maar om de samenhang in visie, die ten grondslag ligt aan die maatregelen.
“Een flexibele arbeidsmarkt is alleen legitiem als mensen voldoende nieuwe zekerheden krijgen waarop ze terug kunnen vallen. De volgende stap in de emancipatie van de werknemers is dat deze minder afhankelijk worden van hun baas. Werkzekerheid neemt de plaats in van baanzekerheid. Faciliteiten die gekoppeld zijn aan de werkgever, waaronder ontslagbescherming, worden geleidelijk vervangen door voorzieningen gekoppeld aan de werknemer. Dan gaat het bijvoorbeeld om individuele leerrechten, pensioenrechten, spaarregelingen en scholing. Deze blijven behouden bij faillissement, veranderen van baan of bij aanvang van het zelfstandig ondernemerschap. Zekerheid voor werknemers wordt zo verzoend met flexibiliteit voor werkgevers. Door het bevorderen van het nieuwe in plaats van het beschermen van het bestaande krijgen buitenstaanders op de arbeidsmarkt – allochtonen, jongeren en vrouwen – betere kansen.
De financiële sector ontwikkelt nieuwe zekerheden. Jongeren krijgen een financieel startpakket voor de levensloop als zij een startkwalificatie hebben behaald. Scholen coachen de jeugd bij het bewust omgaan met belangrijke keuzen. Iedere burger wordt eigenaar van een eigen financieel-planning dossier met informatie over de eigen (sociale) verzekeringen, hypotheken en pensioenen. Nieuwe collectiviteiten zorgen ook voor zelfstandigen voor goedkope verzekeringen.
De pensioen- en verzekeringssector beperkt de schadelast door het stimuleren van beter onderhoud van menselijk kapitaal en helpt mensen bij het managen van risico’s. De pensioen- en verzekeringssector ontwikkelt hiertoe innovatieve producten en werkt samen met woningbouwcoöperaties aan nieuwe financiële oplossingen voor ouderen op het raakvlak van wonen, zorg, welzijn en pensioen.
Door het toenemende gebruik van internet en de opkomst van preventieve interventies nemen burgers zelf meer verantwoordelijkheid voor hun eigen gezondheid: het belangrijkste onderdeel van hun menselijk kapitaal. Elke burger wordt eigenaar van een eigen elektronisch patiëntendossier dat diagnoses en verrichtingen registreert. Burgers laten zich bij de keuze voor een verzekeraar mede leiden door wat een verzekeraar te bieden heeft op het gebied van preventie en klantvriendelijke behandelingen. De krappere arbeidsmarkt als gevolg van de vergrijzing geeft ook werkgevers een groter direct belang bij preventie, vroegtijdige onderkenning, diagnose en behandeling van gezondheidsproblemen van werknemers. Uitval en ziekteverzuim van de schaarse factor arbeid worden zo beperkt.
De zorgsector transformeert zich van ziekenzorg naar gezondheidszorg door de groeiende mogelijkheden voor preventie, vroegdiagnostiek en vroege interventie. Nederland verovert een koppositie in een innovatieve, ondernemende sector waarin de nieuwste technologie de kwaliteit van de zorg continu verbetert. Zo kan draadloze communicatie risicogroepen doorlopend monitoren. Dit beperkt het bezoek aan het ziekenhuis en maakt zo nodig sneller ingrijpen mogelijk. Innovaties voorkomen dat de zorgsector een zware hypotheek op de rest van de economie legt door veel schaarse arbeid op te eisen en daarmee de loonkosten voor het bedrijfsleven en andere collectief gefinancierde sectoren op te drijven.’
3. Hoe werkt dit denken op organisatie niveau?
Op bedrijfsniveau zijn dergelijk ideeën natuurlijk niet haalbaar. Maar het denken dat eraan ten grondslag ligt is heel goed bruikbaar. Deze manier van denken is een niet-normatieve, (zie ook ‘Normatief denken is dodelijk voor de klantgerichtheid’), die vertaald naar organisaties de werknemer als belangrijkste asset, en dus als toegevoegde waarde centraal stelt in plaats van de aandeelhouder met zijn management en is in die zin een goed grondslag voor maatschappelijk verantwoord of duurzaam ondernemen. (Zie ook ‘MVO is ondernemen met een ander doel dan alleen geld verdienen’.)
Het doel van sociale innovaties in organisaties is werknemers beter te laten werken. Voorbeelden zijn thuiswerken, een plattere organisatiestructuur of werknemers beslissingen zo veel mogelijk zelf laten nemen, om hun kennis beter te benutten. Medewerkers voelen zich daardoor meer thuis in hun bedrijf, vragen minder snel een uitkering aan en willen langer doorwerken. Dat kan een oplossing zijn voor het dreigend personeelstekort ten gevolge van de vergrijzing en kan bijdragen aan een hogere toegevoegde waarde van de dienstverlening.
Helaas blijken bedrijven star in veranderingen. De reorganisaties die nu worden uitgevoerd zijn veelal gedreven door kostenbesparing en efficiencyverbetering. Effectiviteitsverbetering en dus waardecreatie en het leveren van meer toegevoegde waarde spelen hierbij zelden een rol, omdat zij op korte termijn investeringen vergen. Een illustratie hiervan wordt gegeven in de casestudy ‘Verzekeringen verkopen via internet is meer dan verkopen zonder tussenpersoon’.
Ook uit onderzoek van de Sociaal Economische Raad (SER) blijkt, dat de innovatiedrift van Nederland te wensen overlaat. Technische innovatie is er voldoende, maar sociale innovatie blijkt veel belangrijker. Vooral de sectoren bouw en industrie scoren wat dat betreft slecht. Alleen de zakelijke dienstverlening blijkt soms wel innovatief. (Zie onder andere ‘Succes moet je willen afdwingen, zelfs in tijden dat het je lijkt aan te waaien’.)
Als innovatief land daalde Nederland in Europa dan ook van de vierde plek in 2000 naar de dertiende plek in 2002. Vervolgens steeg de positie wel weer naar nummer negen in 2006. Steeds meer kennisintensieve activiteiten gaan echter naar opkomende economieën, zoals China en India. Bedrijven richten zich daarbij nog steeds op kostenverlaging, ondanks de verbeterde economie. Volgens de onderzoekers ligt dat voor een groot deel aan het bestuur. Managers weten dat ze zouden moeten innoveren. Maar het ontbreekt vaak aan visie en durf om ideeën uit het verleden bij het grof vuil te zetten.
In het volgende hoofdstuk zullen we één van de hierboven genoemde mogelijkheden voor sociale innovatie verder uitdiepen.
4. Scheiding werk en privé fabeltje
Werknemers en werkgevers maken nog relatief weinig gebruik van mogelijkheden voor thuiswerk. Bij ruim twee derde van de Nederlandse ondernemingen kan thuis worden gewerkt, maar dan gaat het meestal om hooguit 15% van de werknemers, die maximaal één dag in de week thuis werken. Dat blijkt uit de Pulse Survey van adviesbureau Towers Perrin.
Thuiswerken is een belangrijk instrument :
- ter bestrijding van files;
- om meer vrouwen aan het werk te helpen;
- om werk en privé beter te kunnen combineren en
- om efficiencyvoordelen te behalen.
Uit onderzoek blijkt, dat het kiezen voor deze werkvorm het aantal files in Nederland met tenminste tien procent verlaagt. Tegemoetkomen aan de wens van alle werknemers die graag thuis willen werken scheelt 80 miljoen kilometer woon-werkverkeer per week. De uitstoot van CO2 neemt daardoor met 11 procent af. De maatschappelijke schade van filevorming daalt met zo’n 200 miljoen euro per jaar. Maar blijkbaar wordt dit onbelangrijk gevonden. (Zie ook ‘Klimaat: Het grote zwarte pietenspel is begonnen, om vooral zelf niets te hoeven doen’.)
Ongeveer 32 procent van de beroepsbevolking is nu één uur of meer thuis aan het werk en het grootste deel wil dat graag uitbreiden. Aan werkgeverszijde is men nog huiverig voor deze werkvorm, bijvoorbeeld omdat dit afbreuk zou doen aan het toezicht op werknemers. Misschien wel begrijpelijk, maar het is hopeloos ouderwets. De gemiddelde werknemer denkt en werkt tegenwoordig zo autonoom, dat toezicht in de traditionele zin niet meer past. (Zie ook ‘Meer productiviteit en tevreden medewerkers door thuiswerken’.) Ook de scheiding tussen werk en privé wordt steeds minder wenselijk geacht. Dat heeft te maken met een veranderde samenleving. Mensen zijn op zoek naar zingeving en flexibiliteit, willen werk en privéleven combineren. Die twee elementen zullen in de toekomst steeds meer in elkaar overlopen. De negen-tot-vijfmentaliteit loopt ten einde en men wil zélf kunnen bepalen welk moment van de dag aan werk wordt besteed. Het accepteren van deze ontwikkeling levert werkgevers veel op, is veelal de ervaring. Onder meer door een stijging van de arbeidsproductiviteit en veel goodwill bij werknemers.
5. Thuiswerken zou de norm moeten zijn
Thuiswerken past ook veel beter in de virtualisatie trend, die steeds meer opgeld doet. Tijd, afstand en drager worden steeds minder belangrijk. Het fysieke bedrijfsgebouw met harde muren krijgt steeds minder nut. Werken gaat om communicatie, een werkplek, sociaal contact, samenwerken enzovoort en daar heb je het bedrijfsgebouw niet voor nodig. Hetzelfde geldt voor kennis en informatie. Deze zijn gevirtualiseerd en daarmee ook onafhankelijk van tijd, plaats en drager.
De belangrijkste reden om niet te kiezen voor thuiswerken is, zoals de FNV ook aangeeft, dat het betreffende werk zich er niet voor leent. Voor veel beroepen in onze kenniseconomie zijn de beschikking over mobiele telefoon en internet voldoende om uitstekend uit de voeten te kunnen. Zeker als deze twee gecombineerd kunnen worden in de vorm van webconferencing, waardoor samenwerking op afstand (zie ‘Vergaderen, presenteren en samenwerken op afstand’) mogelijk wordt en ook een groot deel van het verkoopproces op afstand uitgevoerd kan worden. (Zie ook ‘Effectievere marketing communicatie door web events’.)
Bij beroepen die zich goed lenen om vanuit huis te worden uitgeoefend, blijken werknemers van hun baas echter niet te mogen thuiswerken. In één op de vier gevallen is er sprake van actieve ontmoediging. Het thuiswerkmes snijdt dus nadrukkelijk aan twee kanten. Aan de ene kant wordt er door het stimuleren en toestaan van deze werkvorm gehoor gegeven aan de wens van een aanzienlijk deel van werkend Nederland. Aan de andere kant levert thuiswerken een forse bijdrage aan het terugdringen van filevorming en milieuvervuiling én biedt het een oplossing voor de bestaande krapte op de arbeidsmarkt. Nu nog de bedrijven, die een paar ingeroeste en intussen verroeste waarheden niet overboord kunnen zetten. (Zie ook ‘Het Nieuwe Werken, vluchten kan niet meer’.)”
Natuurlijk is dit maar een voorbeeld, dat op bedrijfsniveau goed uitgewerkt zal moeten worden, maar wel een voorbeeld dat betrekking heeft op alle uitdagingen uit hoofdstuk 1, waar bedrijven in de komende jaren mee te maken krijgen:
- leveren van meer toegevoegde waarde om de concurrentie met opkomende economieën kunnen volhouden;
- zorgen voor vermogen om goede managers en medewerkers te trekken en te binden als antwoord op de vergrijzing;
- inspelen op de virtualisatie op allerlei gebied, waarbij tijd, afstand en dragers steeds minder belangrijk worden.
