ZBC Kennisbank

Vrijheid zullen we opnieuw moeten uitvinden

Vrijheid was vroeger synoniem met  autonomie. Vrij was je, als je autonoom was. Eigendom speelde daarbij een grote rol, want autonoom ben je als je niet afhankelijk bent, niets verschuldigd bent en als je verschillende opties hebt. Hoe word je dus autonoom? Door bezit te hebben, door op eigen benen te kunnen staan. Maar in de 21e eeuw  is op eigen benen staan niet meer genoeg. Autonomie betekent dat je geïsoleerd bent van het netwerk, dat je geen toegang hebt. En generatie Y  wil ingebed zijn in allerlei netwerken. Voor toekomstige generaties moeten we vrijheid daarom opnieuw definiëren.

Bezit is alleen ballast voor generatie Y. Jeremy Rifkin wees ons  10 jaar geleden in zijn boek ‘The Age of Access’ al op deze megatrend. Bezit is een relikwie, dat nog  in stand gehouden wordt door babyboomers en banken, kunstmatig. Want een eerste kredietcrisis hebben we al gehad. En wat gebeurt er als het onderpand onder hypotheken waardeloos wordt? Er zijn steeds meer aanwijzingen, dat Rifkin gelijk krijgt. Hij koos destijds primair de bedrijfsmatige invalshoek. Hij wist tenslotte toen nog niet van de kredietcrisis en liet ook de naderende duurzaamheidcrisis nog buiten beschouwing. Maar juist daarmee is zijn visie niet alleen maar een theoretisch model gebleken. Het wordt een ‘way of life’ voor de huidige en toekomstige generaties om de welvaart in stand te houden. In dit artikel daarom alle ruimte voor deze zeer actuele visie van Rifkin.

Geen bezit maar toegang

Bezit is veel te traag voor de nieuwe economie. Waarom zou iemand in een economie waar alles draait om snelheid nog iets in eigendom willen hebben, dat meteen al weer achterhaald is door een nieuwer model of een upgrade?
Materiële zaken laten ons niet koud, maar we hoeven ze niet per se meer zelf te bezitten. Eigendom is gebaseerd op de gedachte dat het de moeite waard is om fysieke goederen voor langere tijd vast te houden. In het marktkapitalisme waren “hebben” en “vergaren” belangrijke en gekoesterde begrippen. Maar ze doen er steeds minder toe in een economie waarin verandering zo’n beetje de enige constante is.
We hoeven allerlei spullen niet meer te bezitten, als we ze maar kunnen gebruiken, als we er maar toegang toe hebben. In The age of access, het tijdperk van de toegang, willen we wel het plezier van mooie, nieuwe en handige dingen, maar niet de ballast van het eigendom. Dus kopen we steeds minder en kiezen we er steeds vaker voor om te huren, te leasen, een lidmaatschap of toegangsprijs te betalen om goederen te kunnen gebruiken wanneer het ons uitkomt. En dat heeft, volgens Rifkin, vérgaande gevolgen voor ons leven, onze relaties, onze manier van zaken doen, en zelfs voor ons idee van persoonlijke vrijheid.
De markt, waar kopers en verkopers elkaar ontmoeten, maakt plaats voor een netwerk van diensten, dat ons tegen betaling permanent ter beschikking staat, 24 uur per dag, zeven dagen per week. Dat is praktisch voor de consument. Maar het betekent wel, dat langzamerhand ons hele leven een commerciële ervaring aan het worden is.
‘Het internet, e-commerce, globalisering en de nieuwe vormen van telecommunicatie maken een nieuw soort economie mogelijk, die fundamenteel verschilt van het marktkapitalisme’, zegt Rifkin. ‘Veel mensen zien wel de veranderingen die zich stuk voor stuk voltrekken, maar niet het compleet nieuwe landschap dat hierdoor ontstaat. Deze netwerkeconomie is een heel nieuw beest’.
Succesvolle bedrijven is het niet meer in de eerste plaats te doen om een eenmalige transactie met hun klanten, om de verkoop van één of meer producten. Ze streven nu naar een continue en duurzame relatie met hun klant, bijvoorbeeld via lease-contracten en maandelijkse toegangsgelden, waardoor ze keer op keer aan hem kunnen verdienen. Ze willen zich permanent een plaats in het leven van de klant verwerven.
Zo is er bijvoorbeeld In Utah een bedrijf dat watersproeiers maakt voor de tuin. Maar wie wil er in deze tijd nu alleen maar sproeiers verkopen? Dit bedrijf realiseerde zich dat de klanten er ook helemaal niet aan hechten om zo’n ding te bezitten: ze willen gewoon dat de tuin wordt gesproeid. Dus kun je daar nu een contract voor afsluiten. Voor een maandelijks bedrag zorgt het bedrijf dan dat er een sproei-installatie wordt aangelegd die aan- en uitgaat, afhankelijk van het weer. Bovendien krijg je er via het internet regelmatig weersvoorspellingen bij en informatie over de verzorging van je gazon. Je bezit de sproeier niet, maar je betaalt voor de continue dienstverlening. Je hebt toegang tot het netwerk van diensten van het bedrijf, en het bedrijf op zijn beurt heeft toegang tot jouw aandacht, jouw tijd, jouw leven.
Op dezelfde manier leasen steeds meer mensen hun verwarmingsinstallatie, hun airconditioning, meubels, software en computers. Boeren leasen de zaden voor hun genetisch gemanipuleerde gewassen. Er bestaan zelfs bedrijven die voor een vaste bijdrage zorgen voor alle wegwerpluiers die je baby in zijn leven nodig heeft. En je kunt ook een contract afsluiten voor je tapijt: het ligt in je zitkamer, maar blijft eigendom van de leverancier. Af en toe komt die het reinigen en als het versleten is zorgt hij ervoor dat het vervangen wordt. Allemaal voor een vaste maandelijkse bijdrage. Het tapijt is niet meer het product waar het bedrijf al zijn geld aan verdient. Het is een platform geworden voor allerlei andere diensten en producten die winstgevend kunnen zijn. En we staan nog pas aan het begin van die ontwikkeling.

Maar het eigen huis en de auto dan?

Het bekendste voorbeeld van bezit is natuurlijk de auto. Vroeger was een auto, na het eigen huis, het belangrijkste bezit dat mensen konden hebben. Tegenwoordig is op de Amerikaanse wegen een derde van alle auto’s en vrachtauto’s geleased. Het gaat ons niet meer om het bezit, maar om de ervaring van het autorijden. Over twintig jaar heeft niemand meer een eigen auto. En Ford zou ook het liefst nooit meer een auto verkopen. Want als je er één verkoopt is de relatie met de klant van korte duur. Terwijl je die klant tenminste twee jaar in je netwerk hebt als je een lease-contract met hem kunt afsluiten.
Maar als bezit steeds minder belangrijk wordt, hoe valt dan te verklaren dat nog nooit zoveel Amerikanen (67 procent van de huishoudens) een eigen huis hebben gehad als nu? Rifkin ziet er geen bedreiging van zijn theorie in. ‘Het eigen huis is nog steeds een grote prioriteit voor veel mensen, het is een stukje van de American Dream. Maar je ziet dat het veel kopers niet meer in de eerste plaats gaat om dat bezit, maar om de toegang die ze zich ermee verwerven tot een bepaald netwerk, een bepaalde levensstijl van gelijkgestemden.
‘Overal schieten zogeheten common-interest developments (cid’s) als paddenstoelen uit de grond: buurten met een hek of een muur eromheen, met regels voor de bewoners, met mannen bij een slagboom die zorgen dat niet zomaar iedereen erin komt. Meer dan dertig miljoen Amerikanen (twaalf procent van de bevolking) wonen in een of andere vorm van cid. Ze betalen ervoor om lid te zijn van die gemeenschap. Het huis is alleen maar een platform voor alle diensten die erbij komen om toegang te verwerven tot een bepaalde levensstijl’.
Makelaars spelen ook op een andere manier in op de netwerkeconomie. Het internet maakt de markt veel doorzichtiger en zet hun marges onder druk. Aan een enkele transactie per klant verdienen ze niet meer genoeg, dus wat doen ze? Ze nemen je op in hun netwerk: ze helpen je een huis te kopen, maar daarmee begint het pas. Ze kunnen zorgen voor de financiering, de verzekeringen en de verbouwing. Ze kunnen regelmatig terugkomen voor onderhoud, het verzorgen van de tuin, de beveiliging, wat je maar nodig hebt. Het echte geld verdienen ze in die continue relatie.
En Mobiele telefoons worden letterlijk weggegeven, als je maar tekent voor een abonnement op een bepaald telefoonnet.

Use it, don’t own it

‘Bij ondernemingen is de waardering voor eigendom nog sneller afgenomen dan bij consumenten. Een derde van alle kantoorapparatuur, computers en transportmiddelen in de Verenigde Staten wordt geleased. Het parool is: Use it, don’t own it. Leen of lease wat je per se nodig hebt. En het allerbeste is om je goederen buiten de deur te laten produceren.
‘Niemand in het bedrijfsleven wil tegenwoordig General Motors zijn, iedereen wil Nike zijn’, zegt Rifkin. ‘Vroeger leerde je dat het vermogen van een bedrijf gemeten wordt aan de hand van de fysieke kapitaals- en gebruiksgoederen op de balans. Maar nu vormen die een onnodige belasting. Op papier ziet General Motors er fantastisch uit: veel goederen, veel machines, veel voorraad. Maar het staat niet bij de top-40 van bedrijven op de Newyorkse beurs. Nike ziet er op papier helemaal niet zo goed uit: geen machines, geen kapitaalgoederen van betekenis, geen grote hoeveelheid fysiek kapitaal zoals we dat in het kapitalisme gewend zijn. Nike is een virtuele onderneming. Het publiek denkt dat het een producent van sportschoenen is, maar het is alleen maar een ontwerpatelier, een merk, een marketingformule en een distributie-mechanisme. Al het andere wordt buiten de deur gedaan, door onderaannemers in de Derde Wereld. Want fysiek kapitaal is een kostenpost en een economisch risico’.
Hoe marginaal eigendom kan zijn, zie je ook bij de enorme groei van de franchises, waarbij zelfstandige ondernemers in licentie een bepaalde bedrijfsformule uitvoeren. Tegenwoordig bestaat de Amerikaanse detailhandel voor een derde uit franchises, over tien tot vijftien jaar zal het meer dan de helft zijn. De komende jaren zal ook Europa overstroomd worden door Amerikaanse franchises.
Zo is de firma McDonald’s er jaren geleden al achter gekomen, dat er meer geld te verdienen valt aan het verkopen van haar concept dan aan het verkopen van hamburgers. Als je een McDonald’s restaurant hebt ben je eigenlijk niet de eigenaar van de zaak. Je bezit het gebouw, de apparatuur, misschien de grond, je hebt personeel in dienst dat de hamburgers bakt. Maar fysiek bezit is in de netwerkeconomie een kostenpost. Het intellectuele eigendom is veel belangrijker, en dat blijft van de firma McDonald’s. McDonald’s bezit de formule, de distributie, de marketing van het merk. De individuele ondernemer krijgt alleen voor een bepaalde tijd toegang tot dat intellectuele eigendom. Hij kan het leasen en gebruiken, maar het wordt nooit van hem.’
Toen Rifkin zijn uitspraken deed, wist hij nog niets van de kredietcrisis, die in feite ook veroorzaakt werd omdat men financiële waarde toekende aan schulden en hypotheken die geen onderliggende waarde hadden. Men kocht en verkocht illusies op basis van een ijzersterk merk en de behoefte van velen om rijk te worden, zonder hiervoor een tegenprestatie te leveren. Deze les is echter nog steeds niet getrokken. Hiervoor is een grotere crisis nodig dan de kredietcrisis.

Duurzaamheid is driver voor deze ontwikkeling

In het artikel ‘Crises zijn een zegen en duurzaamheid is een revolutie’ schreven we al over de duurzaamheidcrisis die ons te wachten staat. We moeten ons hierbij realiseren, dat de economieën van China, Rusland en  India razendsnel groeien en daarmee dus ook de behoeften van die economieën aan grondstoffen en energie. Geleerden speculeren erover, dat we zonder ingrijpen zeven aardes nodig zullen hebben om in deze behoeften te voorzien. Tenminste, als we blijven vasthouden aan ons streven naar het bezit van allerlei gebruiksmiddelen.
Maar het kan ook anders. Zo zijn er bijvoorbeeld wereldwijd tientallen miljoenen tractoren in het bezit van boeren. Deze staan voor 95% niets te doen en weg te roesten. Als we die slimmer zouden gebruiken, dan zou het grondstofverbruik voor de productie van al deze tractoren met een factor 10 kunnen dalen. Het enige wat daarvoor nodig is, is een matchingsysteem, waarop alle boeren toegang hebben via hun telefoon. Door GPS, dat in ieder mobieltje zit,  is lokaal gebruik van een dergelijk systeem tegenwoordig mogelijk.
We zien nu al iets veranderen. De tijd waarin  je in feite alleen betaalde voor de verpakking van een CD of DVD, ligt  grotendeels achter ons. Via internet is de inhoud on-demand verkrijgbaar. Op internet gaat het niet over bezit. Veel traditionele leveranciers echter hebben nog geen businessmodel ontwikkeld, waarmee geld verdiend kan worden. Zo zijn bijvoorbeeld leveranciers van software nog niet in staat hun intellectueel eigendom als dienst aan te bieden. Ze denken nog steeds, dat ze een product leveren. (Zie ook ‘Cloud computing is onderdeel van de megatrend van bezit naar gebruik’.) En afnemers moeten nog wennen aan de gedachte dat er betaald moet worden voor gebruik. Ook uitgevers zullen zich moeten omvormen tot verhuurbedrijven van intellectueel eigendom. Met de perceptie echter van de huidige klant, die het huren is verleerd, zal hiervoor druk uitgeoefend moeten worden. Zoals die door de EU ook is uitgeoefend door het produceren van gloeilampen te verbieden. De megatrend ‘van bezit naar gebruik’ zal echter noodzakelijk blijken, omdat anders verbruik van grondstoffen en energie onbetaalbaar wordt. Dat betekent, dat vele assets van bedrijven en consumenten geherdefinieerd moeten worden tot de fundamentele functie.

Ook u bent een kind van de 21e eeuw

Tegenover dat voordeel van de nieuwe economie en het verminderde verbruik van energie en grondstoffen staat het gevaar dat je op een ochtend wakker wordt en ontdekt dat vrijwel iedere activiteit, buiten je directe gezinsleven, een commerciële ervaring is geworden. Dat je leven totaal is ingebed in lease-contracten, lidmaatschappen, abonnementen en betaalde toegangsrechten. Niet product- of procesinnovatie zal deze eeuw beheersen, maar sociale innovatie. (Zie ook ‘Visie en durf basis voor sociale innovatie’.)
In een markteconomie is er een moment van rust als de koop eenmaal gesloten is. In de netwerkeconomie echter blijf je continu een potentiële klant. Er is geen tijd meer die niet gecommercialiseerd is. De mogelijkheid van ondernemers om nieuwe manieren te bedenken waarop hun band met de klant te gelde gemaakt kan worden, is onbeperkt. Maar wij als klant hebben elke dag maar 24 uur. Dit zal een stressfactor worden, voor de generatie Y, maar vooral ook voor oudere generaties.  Multi-tasken, zoals de generatie Y dat beheerst, zal een overlevingsfactor worden. (Zie ook ‘Oudere van boven de 20, pak je rollator en ga in het park wandelen’.) En dat in een tijd dat onze politieke leiders onderwijs zien als speerpunt in hun toekomstvisie. Helaas, het gaat niet over deze problematiek. We vinden dat onze kinderen weer moeten kunnen hoofdrekenen!

Bron:
Juurd Eijsvoogel, ‘Bezit is ballast’. In: NRC Handelsblad. 1 juli 2000.
  • Download:

Auteur: Wiebe Zijlstra | 10 juni 2010 | Copyright Wiebe Zijlstra

Be Sociable, Share!

Geen gerelateerde artikelen gevonden..

Een reactie op “Vrijheid zullen we opnieuw moeten uitvinden”

  1. [...] Ons onderwijs levert nu hetzelfde type mensen af dat de oude wereld heeft gecreëerd. Mensen die onderwezen en ontwikkeld zijn vanuit een sterke focus op het cognitieve en met een economische drive. We leiden onze kinderen op om succesvolte worden in de wereld van gisteren, terwijl ze moeten leren om gelukkig te worden in de wereld van morgen. Als we dat willen, moeten we het accent juist niet leggen op taal en rekenen, zoals de onderwijsminister doet. Heeft de minister enig idee hoe de economie van morgen eruitziet en welke competenties daarvoor nodig zijn? In zijn boekje A whole new mind stelt Daniel Pink dat het Westen om te kunnen overleven een transitie zal moeten maken van een economie die draait op de logische, lineaire kwaliteiten van het informatietijdperk, naar een economie waar inventiviteit, empathie en holistische kwaliteiten centraal staan. Inzicht ontwikkelen in de samenhang der dingen, daar draait het in de toekomst om. Een tweede misvatting in ons onderwijs is de selectie op puntenscore. Het stimuleert basisscholen om kinderen op te leiden voor de Cito-toets. De toets bepaalt de inhoud van het onderwijs in plaats van andersom. Verder kweekt het huidige onderwijs kinderen die volgen en die zich voegen in het gareel. Om te ‘slagen’ leren we onze kinderen om zich te conformeren, om in een bepaald stramien te denken en risico’s te vermijden. Daarmee worden originaliteit en innovatie in de kiem gesmoord. En dan is er nog de misvatting dat de opdracht van het onderwijs kennisoverdracht is. Daarmee zegt de minister dat kennis de belangrijkste succesfactor is in de nieuwe economie. Terwijl kennis overal beschikbaar is en uitermate snel veroudert. Een deel van onze kinderen gaat straks een beroep uitoefenen dat vandaag nog niet eens bestaat. Waardengedreven onderwijs levert jonge mensen af die hun passie en talent willen gebruiken om een bijdrage te leveren aan de wereld en die dat ook kunnen omdat ze geleerd hebben hun creativiteit aan te boren en ‘out of the box’ te denken. Ze zijn vertrouwd met hun interne kompas en zijn in staat om van daaruit hun leven en de wereld vorm te geven. In een wereld die zo snel verandert als de onze, kunnen we amper voorspellen hoe volgend jaar eruitziet, laat staan hoe de wereld er over 50 jaar uitziet. We kunnen kinderen dus niet de benodigde oplossingen meegeven voor de problemen van de toekomst. Maar we kunnen ze wel leren om op een bepaalde manier te denken, om samen te werken en samen te leven, zodat ze later in staat zullen zijn om op een zinvolle en effectieve manier de problemen van hun tijd te tackelen. De nieuwe wereld vraagt om leiders die beseffen dat het leven niet in eerste instantie om geld en bezit draait, maar om verantwoord gebruik. Kortom, het rentmeesterschap, dat zelfs binnen het CDA een ondergeschoven kindje is geworden. Anders worden onze kinderen het slachtoffer van uw en mijn consumptie. (Zie ook ‘Vrijheid zullen we opnieuw moeten uitvinden’). [...]

Geef een reactie

Je moet inloggen om een reactie te kunnen plaatsen.