Koopkracht senioren motor achter innovatieve zorg
Inhoudsopgave
- Past het collectieve systeem nog wel?
- ‘One size fits it all’ , maar niet heus
- Remmechanisme overheid faalt
- Prikkels om te innoveren ontbreken
- Afschaffing van het plafond
1. Past het collectieve systeem nog wel?
De zorg in Nederland heeft een centraal geleide aanbodstructuur. En hoe een zorginstelling er uit moet zien wordt bepaald door bureaucraten. Binnen de eisen van die bureaucraten letten verzorgingshuizen en ziekenhuizen vervolgens vooral op de behoeftes van de eigen organisatie. Wat de gebruikers van het systeem vinden, doet nauwelijks ter zake.
In Nederland wacht de patiënt altijd op zijn arts en nooit is dat omgekeerd. Maar de Nederlandse burger heeft een eigen wil en een robuuste koopkracht. Een bejaarde babyboomer wil niet meer terug naar een kamertje van 16 m2, waarmee hij het in zijn studententijd moest doen. Hij wil meer en hij kan zich meer veroorloven.
In de moderne westerse samenleving geldt een soort sociologische wet van de zwaartekracht en die luidt: een uniforme structuur wordt op de lange termijn alleen geaccepteerd als zij beantwoordt aan de behoeftes van de middenklasse. In de beleving van de middenklasse voldoet de zorg in Nederland echter niet aan haar behoeftes. Schraalhans met zijn bestedingsplafonds en patiëntenstops is keukenmeester in de zorg. En als burgers zich tekortgedaan voelen, dan is de natuurlijke reactie dat zij op zoek gaan naar een ‘opt out’ in het collectieve systeem. (Zie ook ‘De verpakking van een onsje kennis is het echte probleem’.)
2. ‘One size fits it all’, maar niet heus
Geld is, zoals gezegd, niet het probleem. De Nederlandse middenklasse beschikt over een enorme zak geld die zijn weg zoekt naar onbevredigde behoeftes. Maar de ruimte die het Nederlandse systeem daarvoor biedt, is gering. (Zie ook ‘Marktwerking in de zorg leidt tot fabrieken voor verrichtingen’.) De gefrustreerde koopkracht krijgt op den duur het karakter van een magmakamer onder een vulkaan. Als er geen uitweg is, komt hij een keer tot ontploffing.
In overdrachtelijke zin heeft die ontploffing zich al een keer voorgedaan. Rond 2000 brak er een beschaafd volksoproer uit over de lange wachtlijsten in ziekenhuizen. Veel gemopper op feesten en partijen, veel boosheid in de media, veel gekrakeel ook in de Haagse politiek. Ook toen een periode van grote conjuncturele welvaart die het contrast tussen private rijkdom en publieke schraalheid scherp in beeld bracht. De welvarende Nederlander pikte het niet langer dat hij wel drie keer per jaar ‘last minute’ naar exotische bestemmingen kon vliegen maar voor een knieoperatie een half jaar moest wachten.
Het tweede paarse kabinet reageerde daarop met het openen van de geldkraan. Met name in de ziekenhuis- en ouderenzorg klotste het geld een tijdje tegen de plinten. Het was een typisch Nederlandse reactie: als het dan beter moest, dan ook voor iedereen en op kosten van iedereen. Het gevolg was dat de wachtlijsten in de zorg verminderden. Maar de kern van het probleem was niet opgelost. Het gevoel van schraalheid en beperking is niet verdwenen, en dat gevoel is opnieuw scherper geworden met de recente hoogconjunctuur en de bloei van klantgerichtheidsprogramma’s. (Zie ook ‘Klantgerichtheid fopspeen van veel non-profit organisaties en dienstverleners’.)
De zorg voor bejaarden, gehandicapten en chronisch zieken is nog steeds een collectief stelsel dat werkt met een ‘one size fits all’-aanbod, waarbinnen geen ruimte is voor particulier initiatief of private extra’s. Een voorbeeld:
Een directeur van een verpleegtehuis krijgt de zoon van één van de bewoners op bezoek. Zijn demente vader krijgt een kwartiertje bezigheidstherapie per dag. De zoon wil weten of het niet mogelijk is om een door hem betaalde kracht te sturen waardoor zijn vader een uur aandacht krijgt. De directeur laat de zoon weten dat dat niet mogelijk is.
3. Remmechanisme overheid faalt
De onvrede van de burger staat in schril contrast met de miljarden die de overheid besteedt. Op dit moment wordt jaarlijks 55 miljard euro aan zorg uitgegeven. Die kosten stijgen op de lange termijn harder dan het BBP groeit, zeker in de zorg, waar vergrijzing en het beschikbaar komen van nieuwe, dure geneeswijzen de kosten opjagen. Een welvarende samenleving heeft nu eenmaal de neiging steeds meer uit te geven aan haar topprioriteit ‘gezondheid en welzijn’.
Ligt de premie van de volksverzekering voor langdurige zorg nu op 12% van het brutoloon, zonder ingrijpen loopt dat in de sombere voorspellingen de komende jaren op tot 20%. Bijsturen is moeilijk, omdat het ‘alles voor iedereen’-principe het systeem log maakt.
De basiszorgverzekering omvat in Nederland bijna alles wat niet exotisch, alternatief of cosmetisch is. Invoering van hoogwaardiger methoden of concessies aan de maatschappelijke onvrede verhogen de kosten meteen met tientallen of honderden miljoenen, die dan weer met wachtlijsten, budgetkortingen, bestedingsplafonds en efficiency operaties moeten worden gerepareerd. Maar daar zit nu net de missing link. De overheid kijkt alleen naar budgetten. De koopkrachtige afnemer is het primair te doen om kwaliteit en toegevoegde waarde van de zorg. (Zie ook ‘Business development in de zorg – praktijkverkenningen’.)
4. Prikkels om te innoveren ontbreken
De burger zal in de huidige situatie zeker geen rem op het systeem zetten. Als hij zijn zorgpremie en zijn belastingen betaald heeft, is zorg verder gratis. Bovendien heeft hij vooraf moeten betalen voor een dienst, waarvan hij maar moet afwachten wat die waard is. Veel zorgverleners vinden het prima. Zij kunnen centraal onderhandelen over hun inkomsten en hoeven zich niet te vermoeien met de uiteenlopende wensen en eisen van de eindgebruikers. Als een patiënt naar de kosten van zijn behandeling vraagt is de standaardreactie: ‘Bent u dan niet verzekerd?
Op deze manier bestaan er in de zorgsector weinig prikkels om te kijken of het beter en goedkoper kan. Ziekenhuizen en zorginstellingen krijgen al heel lang een jaarlijks budget, dat niet of nauwelijks verband houdt met geleverde prestaties. Er kan in de zorg nog wel wat gewonnen worden door invoering van prestatiebekostiging, door selectieve inkoop van zorgverzekeraars of door beter inkoopmanagement van zorginstellingen, maar daar zitten grenzen aan. De financiële druk op het systeem is groot, net als de behoefte aan meer kwaliteit.
Het loslaten van de collectiviteitprincipes zal echter geenszins leiden tot een tweedeling in de maatschappij. Sterker nog, het loslaten van een koopkrachtige vraag op de zorg zal een algehele niveaustijging bewerkstelligen. De aanbieders zijn immers tot veel meer in staat dan waartoe ze nu worden uitgedaagd. Daarbij komt dat de auto-industrie ons heeft geleerd, dat innovaties ontwikkeld voor het topsegment reeds na enkele jaren toegankelijk zijn voor iedereen. Zo werd de airbag ontwikkeld voor de Mercedes. Nu is deze in vrijwel iedere auto terug te vinden. Het ABS remsysteem werd ontwikkeld voor het topsegment. Tegenwoordig is het beschikbaar in alle typen auto’s. Zo zullen innovaties in de zorg, die worden afgedwongen en gefinancierd door de koopkrachtige groep senioren in de bovenste segmenten van de markt, na verloop van tijd in prijs zakken en ook beschikbaar komen voor de kleine beurs.
5. Afschaffing van het plafond
Vroeg of laat moet de eindgebruiker in de bestuurdersstoel komen te zitten. Het systeem moet kantelen van aanbod- naar vraaggestuurd. Dat kan, zoals al op beperkte schaal gebeurt, door de burger een rugzakje met collectief geld ter beschikking te stellen waarmee hij zelf of via professionele tussenpersonen zijn zorg inkoopt. De burger is betalende klant, maar de overheid moet de uitgifte van rugzakjes bewaken. Hiertoe blijkt ze echter niet in staat, getuige de forse budgetoverschrijdingen.
Waar het om gaat, is de beperking van het collectieve systeem tot een algemene basisvoorziening (de standaardrugzakjes) onder afschaffing van het plafond. Zo zit ook het Nederlandse pensioensysteem in elkaar. De collectief gefinancierde minimumvoorziening AOW is voor iedereen. Naar keuze kan voor een pensioenfonds of lijfrentepolis worden bijgespaard voor een oude dag met vier sterren. De hoogte van de AOW is niet afhankelijk van waar het bedrag voor wordt ingezet. De burger heeft zelf het recht te bepalen waaraan hij het bedrag besteedt. De overheid bewaakt alleen de hoogte van het bedrag.
Het lijkt een logische oplossing, die echter indruist tegen een fundamentele reflex in de Nederlandse politiek. De politiek is hypergevoelig voor de beschuldiging van tweedeling in de samenleving. Deze reflex heeft zijn diepe wortels in de emancipatiestrijd van de arbeidersklasse in de twintigste eeuw. Een voor iedereen toegankelijk en gelijk zorg- en ook onderwijssysteem verzachtte de schrijnende ongelijkheden van de vroeg-industriële samenleving.
Maar in zo’n samenleving leven we niet meer. De zorg kan veel goedkoper en vooral beter. Maar dan moeten we niet de deur dichtgooien voor investeringen door koopkrachtige senioren. Die moeten we juist gebruiken om de zorg uit te dagen. (Zie ook ‘Marketing in de zorg: complex maar toch niet moeilijk’). En die ouderen zorgen er immers toch wel voor dat zij krijgen wat ze willen. Is het niet in Nederland, dan wel daarbuiten.
Delen van dit artikel zijn overgenomen uit:
J. Piersma, H.W.M.M. Haenen, ‘Middenklasse eist maatwerk; duizenddeling nodig in zorg en onderwijs. In: Het Financieele Dagblad. 22 maart 2008.
Auteur: Wiebe Zijlstra | 2 december 2004 | Copyright Wiebe Zijlstra
Geen gerelateerde artikelen gevonden..

